NL1029503C2

System and method for preparing a beverage suitable for consumption, and a use of such a system

Abstract

A system for preparing a beverage suitable for consumption, for instance coffee and/or tea, provided with an apparatus (1) for dispensing beverage under pressure to a nozzle (2) of the system, and at least one receiving chamber (3) which is placeable or is placed downstream of this nozzle (2), the arrangement being such that, during use, the nozzle (2) spouts a jet (S) of said beverage with relatively high velocity to and/or into the receiving chamber (3), while the receiving chamber (3) is provided with at least one outflow opening (4) for dispensing beverage received in this chamber (3), wherein the system is at least configured to substantially counteract or prevent formation of foam of this beverage, in particular when the beverage is spouted to and/or into the receiving chamber (3). The invention further relates to an assembly at least provided with a holder, to a holder, a receiving body, the use of a said system and to a method for preparing a beverage suitable for consumption.

NL1029503C2, drawing sheet 1
Sheet 1 of 8

Term

Term ended

Expired 12 July 2025, 1.2 years ago.

  1. Priority and filed
  2. Granted
  3. Expired
  4. Today

54 claims: 38 independent, 16 dependent

  1. 1
    CONCLUSIES 1. Systeem voor het bereiden van een voor consumptie geschikte drank, bijvoorbeeld koffie en/of thee, voorzien van een inrichting (1) voor het onder druk afgeven van drank aan een spuitmond (2) van het systeem, en ten minste één opvangkamer (3) die stroomafwaarts ten opzichte van 5 genoemde spuitmond (2) plaatsbaar of geplaatst is, het een en ander zodanig dat de spuitmond (2) tijdens gebruik een straal (S) van genoemde drank met relatief hoge snelheid naar en/of in de opvangkamer (3) spuit, waarbij de opvangkamer (3) is voorzien van ten minste één uitstroomopening (4) om in die kamer (3) opgevangen drank af te geven, waarbij het systeem ten minste 10 is geconfigureerd om schuim vorming van genoemde drank in hoofdzaak tegen te werken of te voorkomen, in het bijzonder tijdens het naar en/of in de opvangkamer (3) spuiten van de drank.
  2. 2
    Systeem conclusie 1, ingericht of voorzien van middelen (11, A) om genoemde drank (S) stroomafwaarts ten opzichte van de spuitmond (2) en 15 stroomopwaarts ten opzichte van de uitstroomopening (4), in hoofdzaak geleidelijk te vertragen, bijvoorbeeld door de drank van de drankstraal (S) over een bepaald oppervlak (A) te verspreiden en/of langs een vertragingstraject te leiden.
  3. 3
    Systeem volgens één der voorgaande conclusies, waarbij het 20 systeem is voorzien van een schuimvormings-preventie-oppervlak (A) dat genoemde drankstraal (S) tijdens gebruik van genoemde spuitmond (2) ontvangt, waarbij het schuimvormings-preventie-oppervlak (A) in het bijzonder zodanig is uitgevoerd dat de drankstraal (S) zich langs dat oppervlak (A) kan verspreiden en/of daarlangs kan wegstromen, in het 25 bijzonder als een in hoofdzaak laminair stromende dranklaag, in hoofdzaak zonder schuim te vormen. i
  4. 4
    Systeem volgens conclusie 3, waarbij een zich tegenover genoemde spuitmond (2) uitstrekkende bodem (5) van de opvangkamer (3) genoemd schuimvormings-preventie-oppervlak (A) omvat.
  5. 5
    Systeem volgens conclusie 3 of 4, waarbij het schuimvormings 5 preventie-oppervlak (A) een in hoofdzaak glad oppervlak is, en in het bijzonder een oppervlakteruwheid Ra heeft die bijvoorbeeld kleiner is dan 50 pm en meer in het bijzonder kleiner is dan 25 pm.
  6. 6
    Systeem volgens één der conclusies 3-5, waarbij het schuimvormings-preventie-oppervlak (A) ten minste is voorzien van een in 10 hoofdzaak golvend oppervlakdeel, waarbij het oppervlak (A) bijvoorbeeld is voorzien van een of meer in hoofdzaak cirkelvormige rimpelingen.
  7. 7
    Systeem volgens één der conclusies 3-6, waarbij het schuimvormings-preventie-oppervlak (A) in hoofdzaak rotatiesymmetrisch is ten opzichte van een virtuele centrale hartlijn. 15
  8. 8
    Systeem volgens één der conclusies 3-7, waarbij genoemde spuitmond (2) is uitgevoerd om genoemde drarikstraal op of nabij een middelpunt of middendeel van het schuimvormings-preventie-oppervlak (A) te richten, waarbij bijvoorbeeld de in conclusie 7 genoemde virtuele centrale hartlijn zich door het genoemde middelpunt of middendeel van het 20 schuimvormings-preventie-oppervlak uitstrekt.
  9. 9
    Systeem volgens één der conclusies 3-8, waarbij een normaal van genoemd schuimvormings-preventie-oppervlak (A) in hoofdzaak naar genoemde spuitmond (2) is toe gericht.
  10. 10
    Systeem volgens één der conclusies 3-9, waarbij een normaal van 25 het schuimvormings-preventie-oppervlak (A) op een positie waar genoemde drankstraal (S) op dat oppervlak (A) inslaat althans nagenoeg evenwijdig is gericht aan die staal, tijdens gebruik.
  11. 11
    Systeem volgens één der conclusies 3-10, waarbij genoemd schuimvormings-preventie-oppervlak (A) ten minste is voorzien van een in 30 hoofdzaak vlak oppervlakdeel (Al). 1 029503
  12. 12
    Systeem volgens conclusie 11, waarbij genoemd vlakke oppervlakdeel (Al) zich in hoofdzaak transversaal uitstrekt ten opzichte van een spuitrichting van genoemde spuitmond (2).
  13. 13
    Systeem volgens conclusie 11 of 12, waarbij genoemd 5 schuimvormings-preventie-oppervlak is voorzien ten minste één, het vlakke oppervlakdeel (Al) omgevend en ten opzichte van het vlakke oppervlakdeel (Al) verdiept gelegen oppervlakdeel (A2).
  14. 14
    Systeem volgens conclusie 11-13, waarbij genoemd verdiept oppervlakdeel (A2) in hoofdzaak is omgeven door een verhoogd 10 oppervlakdeel (A3) van het schuimvormings-preventie-oppervlak (A),
  15. 15
    Systeem volgens conclusie 14, waarbij genoemd verhoogd oppervlakdeel (A3) zich naar ongeveer dezelfde hoogte uitstrekt als genoemd vlakke oppervlakdeel (Al).
  16. 16
    Systeem volgens één der conclusies 3-15, voorzien van een zich in 15 hoofdzaak rondom genoemd schuimvormings-preventie-oppervlak (A) uitstrekkende opvanggoot (9A) om een drankstroom van dat oppervlak (A) te verzamelen.
  17. 17
    Systeem volgens één der conclusies 3-16, waarbij genoemd schuimvormings-preventie-oppervlak ten minste een gebogen oppervlak of 20 gebogen oppervlakdeel omvat.
  18. 18
    Systeem volgens één der conclusies 3-17, waarbij een contour van genoemd schuimvormings-preventie-oppervlak (A) een diameter heeft die groter is dan ongeveer een halve diameter van genoemde opvangkamer (3).
  19. 19
    Systeem volgens één der conclusies 3-18, waarbij genoemd 25 schuimvormings-preventie-oppervlak (A) een over een bepaalde afstand gekruld, in zichzelf opgerold of gewikkeld oppervlak omvat, bijvoorbeeld zodanig dat een drankstroom tijdens gebruik tussen een krulling of windingen van dat oppervlak (A) kan worden ontvangen en vertraagd.
  20. 20
    Systeem volgens één der conclusies 3-19, waarbij genoemd 30 schuimvormings-preventie-oppervlak, of een van dat oppervlak voorzien onderdeel, uit genoemde opvangkamer (3) of een ander deel van het systeem verwijderbaar is.
  21. 21
    Systeem volgens één der conclusies 3-20, waarbij genoemd schuimvormings-preventie-oppervlak zich op afstand van genoemd 5 spuitmond uitstrekt, bijvoorbeeld een afstand van meer dan circa 1 mm, in het bijzonder meer dan circa 2 mm, bijvoorbeeld in een bereik van circa 1 mm — 2 cm.
  22. 22
    Systeem volgens één der conclusies 3-21, waarbij genoemd schuimvormings-preventieoppervlak (A) aan of in de opvangkamer (3) is 10 geïntegreerd.
  23. 23
    Systeem volgens één der voorgaande conclusies, waarbij het systeem is voorzien van een stroomafwaarts ten opzichte van genoemde spuitmond (2) plaatsbaar of geplaatst drankstraal-opvanglichaam (11), welk lichaam (11) is uitgevoerd om schuimvorming van genoemde drank in 15 hoofdzaak tegen te werken of te voorkomen, in het bijzonder tijdens op of in dat lichaam (11) spuiten van de drank.
  24. 24
    Systeem volgens conclusie 23, waarbij genoemd drankstraalopvanglichaam (11) in genoemde opvangkamer (3) plaatsbaar of geplaatst is. 20 25. Systeem volgens conclusie 24 in combinatie met één der conclusies 3-22, waarbij genoemd opvanglichaam (11) is voorzien van genoemd schuimvormings-preventie-oppervlak (A). 26. Systeem volgens conclusie 24 of 25, waarbij genoemde opvanglichaam (11) ten minste vanuit een schuimpreventiepositie,
  25. 25
    25 stroomafwaarts ten opzichte van de spuitmond (2), naar een andere positie brengbaar is, bij welke andere positie het opvanglichaam (11) niet wordt gebruikt of bruikbaar is om schuimvorming tegen te werken of te voorkomen. 1 029503
  26. 26
    27. Systeem volgens één der conclusies 23-26, waarbij genoemd opvanglichaam zich in hoofdzaak op afstand van een bodem van de opvangkamer uitstrekt.
  27. 27
    28. Systeem volgens één der conclusies 23-27, waarbij genoemd 5 opvanglichaam in hoofdzaak cbampignon-vormig is uitgevoerd, en bijvoorbeeld is voorzien van een schotelvormig bovendeel met een convexe bovenzijde.
  28. 28
    29. Systeem volgens één der conclusies 23-28, waarbij genoemd opvanglichaam tijdens gebruik in hoofdzaak centraal in genoemde 10 opvangkamer is opgesteld.
  29. 29
    30. Systeem volgens één der voorgaande conclusies, waarbij het systeem zodanig is ingericht dat het systeem tijdens gebruik turbulentie van genoemde drank in hoofdzaak voorkomt wanneer de drank naar en/of in de opvangkamer (3) wordt gespoten. 15
  30. 30
    31. Systeem volgens één der voorgaande conclusies, waarbij het systeem zodanig is ingericht dat het systeem tijdens gebruik in hoofdzaak voorkomt dat de naar en/of in de opvangkamer (3) gespoten drank lucht in zich opneemt.
  31. 31
    32. Systeem volgens één der voorgaande conclusies, waarbij het 20 systeem ten minste van een eerste configuratie in een tweede configuratie brengbaar is en omgekeerd, waarbij het systeem bij genoemde eerste configuratie is geconfigureerd om schuimvorming van genoemde drank in hoofdzaak tegen te werken of te voorkomen, in het bijzonder tijdens het naar en/of in de opvangkamer (3) spuiten van de drank, waarbij het systeem 25 bij genoemde tweede configuratie is geconfigureerd om schuimvorming van genoemde drank te bevorderen.
  32. 32
    33. Systeem volgens conclusie 32, waarbij één of meer onderdelen van het systeem verwijderbaar zijn om het systeem van de eerste in de tweede configuratie te brengen en/of omgekeerd.
  33. 33
    34. Systeem volgens conclusie 32 of 33, waarbij één of meer onderdelen van bet systeem met corresponderende onderdelen uitwisselbaar zijn om het systeem van de eerste in de tweede configuratie te brengen en/of omgekeerd.
  34. 34
    35. Systeem volgens één van de voorgaande conclusies, waarbij het 5 systeem is ingericht om tijdens gebruik drank onder een druk aan de spuitmond af te geven, welke druk ligt in het bereik van circa 0,8 - 2,5 bar, bij voorkeur 1,0 — 1,8 bar.
  35. 35
    36. Systeem volgens één van de voorgaande conclusies, waarbij het systeem is ingericht om tijdens gebruik een drank-debiet aan de spuitmond 10 af te geven, welk debiet ligt in het bereik van circa 2-8 ml/s, bij voorkeur 5 - 7 ml/s.
  36. 36
    37. Systeem volgens één der voorgaande conclusies, waarbij een gemiddelde diameter van een tijdens gebruik door de spuitmond afgegeven drankstraal ligt in het bereik van circa 0,5-1,2 mm, bij voorkeur 0,85 15 0,95mm. .
  37. 37
    38. Systeem volgens één der voorgaande conclusies, voorzien van een houder (20) voor het houden van een met een te extraheren product gevulde of vulbare omhulling, welke houder (20) in het bijzonder is voorzien van genoemde spuitmond (2) om drank in de genoemde opvangkamer (3) te 20 spuiten, en meer in het bijzonder op genoemde opvangkamer (3) plaatsbaar is.
  38. 38
    39. Systeem volgens conclusie 38, waarbij het systeem is voorzien van een huisdeel (21) dat tijdens gebruik tussen genoemde houder (20) en de opvangkamer is geplaatst, bijvoorbeeld als afstandhouder. 25
  39. 39
    40. Systeem volgens één der voorgaande conclusies, waarbij ten minste één genoemde opvangkamer (3) is geconfigureerd om schuimvorming van genoemde drank in hoofdzaak tegen te werken of te voorkomen.
  40. 40
    41. Systeem volgens één der voorgaande conclusies, geconfigureerd om genoemde drankstraal tijdens gebruik eerst om te zetten in ten minste één in hoofdzaak continue drankstroming, en om de in hoofdzaak continue drankstroming vervolgens via genoemde uitstroomopening (4) af te geven.
  41. 41
    42. Opvangkamer van een systeem volgens één der voorgaande conclusies. 5
  42. 42
    43. Samenstel ten minste voorzien van een houder van een systeem volgens conclusie 38, waarbij het samenstel is ingericht om schuimvorming van genoemde drank in hoofdzaak tegen te werken of te voorkomen, waarbij het samenstel verder bijvoorbeeld is voorzien van een genoemde spuitmond (2) en/of opvangkamer (3) om genoemde drank te spuiten respectievelijk op 10 te vangen.
  43. 43
    44. Houder van een samenstel volgens conclusie 43.
  44. 44
    45. Drankstraalopvanglichaam van een systeem volgens één der conclusies 23-29, of specifiek bestemd voor gebruik in een systeem volgens één der conclusies 23-29. 15
  45. 45
    46. Gebruik van een systeem volgens één der conclusies 1-41, van een opvangkamer volgens conclusie 42, van een samenstel volgens conclusie 43 , en/of van een opvanglichaam volgens conclusie 45 om in hoofdzaak schuimloze thee te zetten.
  46. 46
    47. Gebruik van een systeem volgens één der conclusies 1-41, van een 20 opvangkamer volgens conclusie 42, van een samenstel volgens conclusie 43, en/of van een opvanglichaam volgens conclusie 45 om in hoofdzaak schuimloze koffie te zetten.
  47. 47
    48. Werkwijze voor het bereiden van een voor consumptie geschikte drank, bijvoorbeeld koffie en/of thee, in het bijzonder onder gebruikmaking 25 van een systeem volgens één der conclusies 1-41, van een opvangkamer volgens conclusie 42 van een samenstel volgens conclusie 43, en/of van een opvanglichaam volgens conclusie 45, omvattende:- het onder druk afgeven van drank aan een spuitmond (2);1 029503 - het in een opvangkamer (3) spuiten van de afgegeven drank, waarbij schuimvorming van genoemde drank in hoofdzaak wordt tegengewerkt of voorkomen;en -het afgeven van de in de opvangkamer (3) opgevangen drank, in het 5 bijzonder via ten minste één uitstroomopening (4).
  48. 48
    49. Werkwijze volgens conclusie 48, waarbij de drank onder een druk aan de spuitmond wordt afgegeven, welke druk ligt in het bereik van circa 0,8 — 2,5 bar, bij voorkeur 1,0 — 1,8 bar.
  49. 49
    50. Werkwijze volgens conclusie 48 of 49, waarbij een drank-debiet aan 10 de spuitmond wordt afgegeven, welk debiet ligt in het bereik van circa 2-8 ml/s, bij voorkeur 5 — 7 ml/s.
  50. 50
    51. Werkwijze volgens één der conclusies 48-50, waarbij genoemde drankstraal in hoofdzaak continue in ten minste één relatief dunne laag wordt verspreid en naar een ten minste één uitstroomopening wordt 15 afgevoerd.
  51. 51
    52. Werkwijze volgens één der conclusies 48-51, waarbij van genoemde drankstraal een in hoofdzaak continue, bij voorkeur laminaire, drankstroming wordt gevormd.
  52. 52
    53. Werkwijze volgens één der conclusies 48-52, waarbij genoemde 20 drank met een relatief hoge snelheid in de opvangkamer wordt gespoten, waarbij de drank vervolgens langs een bepaald vertragingstraject wordt geleid om relatief geleidelijk te worden vertraagd, waarna de vertraagde drank aan ten minste één uitstroomopening wordt toegevoerd.
  53. 53
    54. Werkwijze volgens één der conclusies 48-53, waarbij genoemde 25 drank in een verzamelgebied (9A) van de opvangkamer (3) wordt verzameld en vandaar aan genoemde uitstroomopening (4) wordt toegevoerd.
  54. 54
    55. Werkwijze volgens één der conclusies 48-54, waarbij genoemde drank ten minste in hoofdzaak geleidelijk wordt vertraagd in een gebied gelegen stroomafwaarts ten opzichte van genoemde spuitmond (2) en 30 stroomopwaarts ten opzichte van genoemde uitstroomopening (4). 1 029503 A
Independent claims54